foto: meisjes voor het schoolbord in een grid van balletjes
Leer voor je leven

Begeleide ontwikkeling naar zelfsturing

Begeleide ontwikkeling naar zelfsturing: de mogelijkheid tot perspectief wisseling

In de column van april heb ik vooral geschreven over de consequente begeleiding, waarbij de ouder/leerkracht vanuit waarden bepaalt welk gedrag geleerd moet worden door het kind. De gedachte is dat juist dan het kind zicht krijgt op de waarden. Het vervolg is dat het geweten zich ontwikkelt. Dat is in de theorie doorgaans rondom het 6e-7e  jaar. Bij het ene kind iets eerder dan bij het andere. Maar voor sommige taken ook eerder dan wel later. Dat is vooral afhankelijk van de ervaring die kinderen hebben opgedaan en de ruimte die ze hebben gekregen.

Kohlberg (morele ontwikkeling) en Erikson (sociale en emotionele ontwikkeling) laten in hun theorie zien dat rondom dat 7e  jaar het geweten doorgaans gevormd is en het kind weer op zichzelf is gericht. Het kind gaat op onderzoek uit naar grenzen. Dat noem ik grenszoekend gedrag. Zijn er momenten of situaties dat je net iets anders mag dan normaal?

Tijdens het avondeten begint je zoon van 9 ineens te huilen. Wanneer je belangstellend vraagt wat er aan de hand is, vertelt hij dat de hele klas naar de voetbalwedstrijd mag kijken. Maar dat hij weer gewoon naar bed moet.

In mijn vorige column stelde ik vast dat de opvoeder zich strikt houdt aan zijn regels en het kind geen invloed geeft. Immers er is sprake van een leerproces waarin geweten moet worden ontwikkeld.

Maar in deze situatie kent het kind al de waarden. Het heeft al geweten. De opvoeder houdt vast aan zijn waarden, blijft consequent, maar moet nu ook het gezichtspunt van het kind innemen. Daarom legt deze vader/moeder uit waarom het belangrijk is om op tijd naar bed te gaan etc., maar verplaatst zich ook in het perspectief van het kind. Meestal komt er dan een compromis uit met een aantal voorwaarden. En als aan de voorwaarden wordt voldaan, dan kan er volgende keer weer gesproken worden over een compromis.jan_van_veen_begeleide_ontwikkeling_mei_300

De opvoeder vertoont eigenlijk nog steeds hetzelfde gedrag als in de vorige column benoemd. Maar doordat het kind een bepaalde mate van invloed krijgt, gaat het ook nadenken over de gedachten, gevoelens en het willen van de ander. In de emotionele en sociale ontwikkeling heeft het kind behalve een ego (ik)perspectief nu de mogelijkheid ook een ander-perspectief te ontwikkelen. Het moet inzicht krijgen in het denken, voelen en willen van de ander.

In de school betekent dat dat er daadwerkelijk ander leerkrachtgedrag is in groep 1 tot en met 4 en 4 tot en met 8. In groep 4 ligt doorgaans het kantelpunt. De ene leerling moet nog gestuurd worden en de ander kan al meer en meer worden losgelaten. De leerlingen krijgen nu invloed op regels, door deze te verfijnen met afspraken. De leerling krijgt steeds meer ruimte om zelf keuzes te maken. Maar belangrijker nog, daarvan ook de consequenties te leren zien en te aanvaarden. Er wordt dan ook tijd ingeruimd om voor te denken over de gevolgen van de keuzes die je maakt. Door met kinderen hardop te denken over de situatie, de mogelijkheden om te handelen en van elke mogelijkheid de gevolgen te benoemen, leren ze strategisch te denken. Krijgen inzicht in en uitzicht op mogelijkheden van anderen en zichzelf.

Ik pleit er sterk voor om de waarden van de school steeds als uitgangspunt te nemen bij de omgang met de leerlingen. Als de schoolwaarden tot persoonlijke en groepswaarden zijn ontwikkeld, hebben wij als leerkrachten het in de bovenbouw minder lastig. Immers de schoolwaarden zijn ook de groepswaarden. En de groep zal haar groepsleden daarop actief corrigeren.

Een kind dat zicht heeft op de kaders en eigen mogelijkheden, die zich kan inleven in de omgeving zal op een verantwoordelijke wijze zelf sturing geven aan het eigen gedrag. Dat is het proces waarin kinderen van veldsturing (door de buitenwereld) komen tot zelfsturing.

Kinderen die dat onvoldoende hebben geleerd (door wat voor oorzaak ook) zullen zich vaker afhankelijk of tegendraads gedragen. Zij zullen ook vaker te maken krijgen met aanspreken op het gedrag, corrigeren, negatieve reacties uit de omgeving, voortdurend aanmoedigen en eisen stellen. Die kinderen hebben dus nog een hoop te leren.

Maar voor opvoeders (en of dat nu ouders of leerkrachten zijn) is loslaten een heel lastig proces. En je kunt pas loslaten als je ook hebt vastgehouden. Vertel dus wat je wilt zien en met welk gedrag je tevreden bent. Geef het kind dan de ruimte om na afloop (of tussentijds) samen te evalueren of het gelukt is. Hoe en waardoor dat kwam of wat er nodig is om alsnog dat gedrag te laten zien. Maak kinderen deelgenoot, betrek ze actief in je plannen. Geef ze verantwoordelijkheid.

Ik wens jullie veel positieve ervaringen

Deel deze pagina op Google Plus Deel deze pagina op LinkedIn